Uit het grote sprookjesboek
26/02/2014

Er was eens een bloeiende sportvereniging, die kon bogen op een prachtig verleden. De sportieve prestaties waren uitstekend te noemen. Onder de leden heerste een grote saamhorigheid, en de gezelligheid vierde dan ook vaak hoogtij. Veel leden maakten zich met plezier dienstbaar als vrijwilliger. De vereniging kon zich naar buiten toe presenteren met mooie, altijd uitstekend bezette  sportieve evenementen.
Aan de interne wedstrijden deden vaak een groot aantal leden mee, zowel de wedstrijdspelers als liefhebbers. Jo, Jan, Joost en Joris vormden al enkele jaren het bestuur van deze vereniging. Zij genoten een onbeperkt vertrouwen van alle leden. Dat vertrouwen ging zelfs zo ver, dat veel de leden ervan overtuigd waren dat niemand het net zo goed of beter zou kunnen doen dan juist hun zittende bestuur. Als er zich al eens een “probleempje” voordeed, werd dat rimpeltje moeiteloos gladgestreken op de jaarlijkse algemene ledenvergadering.
Nu kwam er een moment waarop Jan, Joost en Joris tegelijk aftredend waren als bestuurslid en zich om uiteenlopende redenen niet meer herkiesbaar konden of wilden stellen. Dat werd door de leden zeer betreurd, maar men moest hen wel respecteren. Nieuwe bestuursleden werden opgeroepen, gevraagd of persoonlijk benaderd. Alle leden spiegelden zichzelf aan de gebleken kwaliteiten van de zittende bestuursleden,  kwamen tot de conclusie dat zij zelf niet in de schaduw konden staan van de aftredenden, en dus onmogelijk kandidaat konden zijn. Zo brak de avond van de ALV aan.
Na de opening, de behandeling van de notulen van het jaar ervoor en het presenteren van het bestuurlijk jaarverslag, ging Jo over tot het afscheid van de bestuursleden. Jan, Joost en Joris werden met warme woorden bedankt voor alles, kregen een presentje en een bloemetje, en van de zaal een staande ovatie. Vervolgens namen zij plaats in de zaal. Jo nam weer plaats achter de tafel en sprak de wijze woorden: “zo, nu zit ik hier, maar de vereniging zit in de zaal.” Dat was voor de leden toch wel een confronterende constatering. Want wat kon er nu overblijven van de sportbeoefening, de saamhorigheid en de gezelligheid waaraan men zo verknocht was. Vervolgens werd overgegaan tot de rondvraag. Jo gaf aan de wijsheid niet in pacht te hebben en ook niet alles te kunnen. Daarom werden de vragenstellers uitgenodigd gezamenlijk in de stukken naar de antwoorden te zoeken. Dirk had een vraag over de financien, Dorus over de organisatie en Douwe over in het verleden gemaakte afspraken. Toen zij zich met Jo in de materie verdiepten, vonden ze dat eigenlijk wel leuk. Zo ontstond een aanzet tot een nieuw bestuur.
Dirk, Dorus en Douwe ontdekten dat zij niet werden vergeleken met hun voorgangers. Zij konden zelf hun eigen richting bepalen, terwijl het vertrouwen van de leden in hen vanaf het begin vrijwel onbegrensd was. Zij konden ook blijvend rekenen op een groot aantal vrijwilligers. Jo lachte in het vuistje. Dirk, Dorus en Douwe lachten, want zij hadden het naar hun zin. Maar de vereniging lachte het laatst, en dus het best. Er was weer een bestuur, waarmee het voortbestaan verzekerd was. Zo kwam alles op zijn pootjes terecht, en  leefden zij nog lang en gelukkig.

Mart